In Peru ging ik bijna nooit zonder hoed naar buiten, niet omdat ik op een dag had besloten dat een hoed bij mij hoorde of omdat ik daarmee iets bijzonders wilde uitstralen, maar omdat het daar eigenlijk vanzelfsprekend was geworden. Ik had mooie hoeden voor wanneer ik gewoon de deur uitging, andere hoeden voor mijn wandelingen door de Andes en een aantal exemplaren die ik na aankoop zelf decoreerde, waardoor ze uiteindelijk helemaal van mij werden. Pas toen ik weer in Nederland was, verdween de hoed ongemerkt uit mijn dagelijkse leven en begon ik me af te vragen waarom iets wat in Peru zo normaal voelde hier ineens bijna een statement lijkt te zijn.
📍 Locatie: Peru | Nederland
📖 Leestijd: 6 minuten
🏷️ Categorie: Peru | Leven in Peru | Cultuur | Persoonlijk
Een hoed hoorde er in Peru gewoon bij
In Peru ging ik naar buiten met een hoed op en daar dacht ik eigenlijk nauwelijks over na, want het hoorde voor mij gewoon bij het dagelijks leven en ik was bovendien bepaald niet de enige die iets op zijn hoofd droeg. In het straatbeeld zag je allerlei soorten hoeden en petten en wanneer je verder de Andes in ging, werd die verscheidenheid alleen maar groter, met traditionele hoeden die soms heel duidelijk bij een bepaalde streek of manier van kleden hoorden, maar ook met gewone vilthoeden, strohoeden en allerlei praktische modellen die vooral bescherming boden tegen de zon.
Voor mij was een hoed dan ook niets bijzonders en al helemaal geen bewuste poging om op te vallen, want wanneer iets om je heen heel normaal is, ga je jezelf ook niet iedere ochtend voor de spiegel afvragen of je het vandaag wel kunt dragen. Ik koos gewoon welke hoed ik die dag wilde opzetten en ging naar buiten, precies zoals je een jas of een paar schoenen kiest zonder daar verder een filosofische discussie met jezelf over te voeren.
Dat gold overigens niet alleen voor de hoeden die ik in het dagelijks leven droeg, want voor mijn wandelingen had ik weer andere exemplaren die vooral praktisch moesten zijn en urenlang prettig moesten blijven zitten. Wanneer je in Zuid-Peru de bergen in gaat, soms op behoorlijke hoogte en uren achter elkaar in de buitenlucht, is bescherming tegen de zon geen overbodige luxe en dan kijk je anders naar een hoed dan wanneer je alleen even naar de winkel loopt.
Van een gekochte hoed maakte ik mijn eigen exemplaar
Sommige hoeden vond ik mooi zoals ze waren, maar bij andere begon voor mij het leukste gedeelte eigenlijk pas nadat ik ze had gekocht, want ik vond het leuk om met de decoratie aan de slag te gaan en van een bestaande hoed iets te maken wat niemand anders precies zo had.
De hoeden zelf maakte ik dus niet, maar de decoratie wel, waarbij ik verschillende materialen gebruikte en zonder al te veel regels keek wat bij een bepaalde hoed paste. Een stuk spijkerstof, touw, een andere band, wat verf of een combinatie daarvan kon voldoende zijn om een vrij gewone hoed een compleet andere uitstraling te geven, en juist doordat ik niet probeerde drie identieke exemplaren te maken, kregen ze allemaal hun eigen karakter.
Op de foto bij deze blog staan drie van die hoeden die ik in Peru zelf heb gedecoreerd en wanneer ik daar nu naar kijk, zie ik niet alleen drie hoeden aan een muur hangen, maar ook iets wat destijds heel normaal onderdeel was van mijn leven daar. De ene was groter en opvallender dan de andere, de decoraties waren verschillend en geen van de drie hoefde perfect of volgens een bepaald ontwerp te zijn, want het ging er vooral om dat ik ze zelf mooi vond.
Ik heb destijds ook weleens gedacht of er misschien een markt zou kunnen zijn voor zulke gedecoreerde hoeden, waarbij je een bestaande hoed als basis neemt en daar vervolgens een uniek exemplaar van maakt, maar in Peru zag ik die markt niet echt en eerlijk gezegd weet ik niet of die in Nederland veel groter zou zijn.
Aan de andere kant moet ik tegenwoordig een beetje voorzichtig zijn met zeggen dat ik iets waarschijnlijk nooit ga doen, want een halfjaar geleden dacht ik ook niet dat ik twee boeken zou schrijven.
Terug in Nederland bleef de hoed liggen
Het vreemde is dat ik, nadat ik weer in Nederland was, eigenlijk vanzelf ben gestopt met het dragen van een hoed, zonder dat ik ooit bewust heb besloten dat ik hem voortaan thuis zou laten. Hij verdween gewoon uit mijn dagelijkse routine en pas veel later begon me op te vallen dat hier eigenlijk nog maar weinig mannen met een echte hoed rondlopen.
Een baseballcap zie je overal en zodra het koud wordt verschijnen de mutsen vanzelf weer, maar een gewone vilthoed of fedora is iets anders geworden en lijkt tegenwoordig bijna automatisch een bewuste stijlkeuze te zijn. Zet je er eentje op, dan val je op, terwijl dat vroeger in Nederland helemaal niet zo bijzonder was en je op oude foto's juist genoeg mannen ziet voor wie een hoed net zo vanzelfsprekend onderdeel van hun kleding was als een jas.
Dat verschil met Peru vind ik interessant, juist omdat ik daar nooit het gevoel had dat ik met een hoed iets bijzonders deed. Ik liep ermee door de stad, ging ermee op pad en had verschillende hoeden voor verschillende gelegenheden, zonder me bezig te houden met de vraag of iemand anders vond dat zo'n ding nog wel in het straatbeeld thuishoorde.
Hier lijkt een echte hoed bijna iets te zijn geworden waarvoor je eerst moet besluiten dat je het durft te dragen.
En waarom eigenlijk?
Twee Brixtons besteld
Die vraag kwam deze week weer naar boven toen ik naar nieuwe hoeden zat te kijken en twee modellen van Brixton tegenkwam die me allebei aanspraken, waarbij de ene met zijn donkere band iets klassieker oogde en de andere wat rustiger van uitstraling was.
De ene kostte 45 euro en de andere 65 euro en omdat een productfoto uiteindelijk maar weinig zegt over hoe een hoed op je eigen hoofd staat, heb ik ze gewoon allebei besteld. Niet omdat ik ineens twee nieuwe hoeden nodig heb, want één van de twee gaat weer terug, maar omdat ik thuis voor de spiegel waarschijnlijk binnen een paar minuten kan bepalen welke het beste bij mij past.
En juist terwijl ik daarmee bezig was, realiseerde ik me hoe grappig het eigenlijk is dat ik nu zo bewust nadenk over het opnieuw dragen van een hoed, terwijl ik daar in Peru jarenlang geen seconde over nadacht.
Daar was de vraag niet of ik een hoed zou dragen.
Daar was de vraag gewoon welke hoed ik vandaag zou opzetten.
Waarom zou ik hem hier eigenlijk niet dragen?
Misschien zit daar uiteindelijk het hele verhaal, want zonder dat we het doorhebben passen we ons behoorlijk gemakkelijk aan aan wat om ons heen normaal wordt gevonden. In Peru zag ik overal mensen met iets op hun hoofd en voelde het dragen van een hoed voor mij volkomen vanzelfsprekend, terwijl ik hem terug in Nederland zonder enige bewuste beslissing ineens niet meer opzette.
Maar als ik graag een hoed draag, waarom zou het mij dan eigenlijk interesseren dat het hier tegenwoordig minder gebruikelijk is?
Ik hoef er niets mee uit te stralen, ik hoef niemand ervan te overtuigen dat de klassieke mannenhoed terug moet komen en ik ben ook niet van plan om campagne te gaan voeren tegen de baseballcap. Ik vind een mooie hoed gewoon mooi en ik heb jarenlang ervaren dat ik hem graag draag.
Dus wanneer die twee Brixtons binnenkomen, zet ik ze allebei op, kijk ik in de spiegel en kies ik degene waarbij ik meteen het gevoel heb dat hij bij mij hoort.
De andere gaat terug.
En degene die blijft?
Die gaat gewoon op mijn hoofd.
Want het is misschien niet meer gebruikelijk om in Nederland een hoed te dragen, maar ik doe toch wat ik zelf wil.