Een sollicitatiegesprek voor een commerciële buitendienstfunctie bij een technisch bedrijf klinkt op papier niet direct als het begin van een verhaal waarin Peru, een reisboek, wandelen, hiken, witte wijn en uiteindelijk zelfs een huwelijksambtenaar een rol gaan spelen, maar sommige gesprekken trekken zich nu eenmaal weinig aan van wat er vooraf in de agenda stond. Wat begon als een gewone online kennismaking voor een nieuwe baan veranderde langzaam in een gesprek waarin de functie steeds verder naar de achtergrond verdween, er vooral veel werd gelachen en ik na afloop eigenlijk maar één conclusie kon trekken: misschien levert solliciteren niet altijd een baan op, maar soms wel een verdomd leuk verhaal.
📍 Locatie: Nederland
📖 Leestijd: 9 minuten
🏷️ Categorie: Persoonlijk | Schrijven | Solliciteren
Een sollicitatiegesprek dat al snel geen sollicitatiegesprek meer was
Ik ga niet bij dat lasbedrijf werken, althans, dat vermoeden had ik eigenlijk al voordat het gesprek überhaupt begonnen was, en vreemd genoeg maakte juist dat het allemaal een stuk gemakkelijker, want waar je bij een sollicitatiegesprek normaal gesproken toch een beetje probeert na te denken over wat je zegt, hoe je overkomt, of je antwoorden aansluiten bij de functie en of je niet per ongeluk iets roept waardoor iemand aan de andere kant van het beeldscherm ineens heel geïnteresseerd naar zijn aantekeningen begint te kijken, zat ik deze vrijdagmiddag eigenlijk zonder al te veel verwachtingen achter mijn computer en dacht ik vooral: we gaan eens kijken wat hiervan komt.
Ik had L daarvoor al aan de telefoon gesproken en dat was leuk geweest, gewoon leuk, niet zo'n gesprek waarbij iemand een rijtje vragen afwerkt terwijl je aan de toon al hoort dat er ondertussen waarschijnlijk nog zes cv's openstaan en de volgende kandidaat over twintig minuten wordt gebeld, maar een gesprek waarin vanaf het begin ruimte zat om ergens op te reageren, een grap te maken en vervolgens niet onmiddellijk terug te hoeven keren naar vraag vier van het intakeformulier, en toen we elkaar deze keer online zagen bleek die sfeer eigenlijk binnen een paar minuten precies hetzelfde te zijn.
Natuurlijk was er officieel nog steeds een reden waarom wij elkaar spraken, want ergens tussen L en mij bevond zich een vacature voor een accountmanager bij een technisch bedrijf, een commerciële buitendienstfunctie waarbij je klanten bezoekt, relaties onderhoudt, kansen ziet en uiteindelijk waarschijnlijk ook nog verstand moet krijgen van lassen, iets waar ik op dat moment ongeveer net zoveel vanaf wist als de gemiddelde lasser waarschijnlijk van het schrijven van een reisboek over Peru, maar dat leek mij eerlijk gezegd geen onoverkomelijk probleem, want producten kun je leren kennen en uiteindelijk heb ik in mijn leven wel vaker dingen verkocht waarvan ik aan het begin minder wist dan de klant tegenover mij.
Het salaris was in ieder geval een stuk eenvoudiger te begrijpen.
Vijfduizend euro. Niet minder.
Daar hoefde ik geen opleiding lastechniek voor te volgen en tegen het einde van het gesprek, voor zover je nog van een einde van een sollicitatiegesprek kon spreken, vroeg ik het voor de zekerheid nog maar een keer, omdat ik geen zin had om na een uur gezellig praten uiteindelijk te ontdekken dat we het eigenlijk over twee totaal verschillende bedragen hadden gehad.
“Is het salaris oké?”
“Ja.”
Kijk, sommige onderdelen van solliciteren hoeven helemaal niet ingewikkeld te zijn.
Peru komt uiteindelijk toch altijd aan tafel
De rest van het gesprek bleek dat gelukkig ook niet te worden, alleen niet helemaal op de manier waarop een recruiter het waarschijnlijk tijdens zijn opleiding heeft geleerd, want ergens onderweg kwamen we bij Peru terecht, wat mij inmiddels nauwelijks meer verbaast omdat vrijwel ieder gesprek over mijn werk uiteindelijk naar Peru afdwaalt, en zodra Peru eenmaal aan tafel zit krijg je het er ook niet gemakkelijk meer vanaf, want dan komt vanzelf de vraag hoe ik daar terechtkwam, wat ik daar gedaan heb, waarom ik weer terug ben gekomen en voor je het weet ben je twintig minuten verder en heeft niemand het nog over klanten in Zeeland die lasapparatuur nodig hebben.
Deze keer kwam ook mijn boek ter sprake en vanuit mijn boek kwamen we weer bij Tim Voors terecht, die lange afstanden loopt en daarover schrijft, en ergens in dat gesprek ontstond vervolgens een onderwerp waarvan ik vooraf met geen mogelijkheid had kunnen bedenken dat het tijdens een sollicitatie voor een commerciële functie bij een bedrijf in lastechniek belangrijk zou worden, namelijk de vraag wat nu eigenlijk precies het verschil is tussen wandelen en hiken.
Dat klinkt als iets wat je in dertig seconden kunt oplossen, maar dat bleek tegen te vallen, want wanneer wordt wandelen eigenlijk hiken, moet daar een berg voor aanwezig zijn, heb je verplicht een rugzak nodig, moet de afstand een bepaalde lengte hebben, speelt het soort schoenen nog een rol en ben je, wanneer je dezelfde route loopt maar ineens twee wandelstokken vasthoudt, vanaf dat moment officieel aan het hiken, of ben je nog steeds gewoon iemand die een flink stuk aan het wandelen is en daar tegenwoordig liever een Engelse naam aan geeft?
We hebben het er zeker vijf minuten over gehad.
Vijf minuten. Tijdens een sollicitatiegesprek voor een bedrijf dat lastechniek verkoopt.
Ergens stond waarschijnlijk nog een functieomschrijving open waarin woorden voorkwamen als omzetgroei, klantrelaties, commerciële kansen en technische affiniteit, terwijl wij probeerden vast te stellen waar wandelen ophoudt en hiken begint, en het vreemde was dat het mij op dat moment werkelijk niets meer kon schelen dat we volledig van het onderwerp waren afgedwaald, sterker nog, ik vond het eigenlijk steeds leuker worden.
Misschien is dát wel het probleem met solliciteren
Dat is misschien ook precies wat ik tegenwoordig mis bij veel sollicitatiegesprekken, want iedereen wil graag weten of je communicatief vaardig bent, of je gemakkelijk relaties opbouwt, of je commercieel bent en of je in staat bent een gesprek met een klant te voeren, maar vervolgens wordt de kennismaking zelf zo strak in een formulier gegoten dat er nauwelijks gelegenheid overblijft om te ontdekken of twee mensen überhaupt een normaal gesprek met elkaar kunnen hebben, terwijl ik altijd heb gedacht dat juist dát behoorlijk belangrijk is wanneer je iemand zoekt die straks de hele dag bij klanten aan tafel moet zitten.
Met L hoefde dat in ieder geval niet getest te worden, want we waren inmiddels gewoon aan het lullen, niet meer aan het solliciteren, niet meer aan het proberen het juiste antwoord te geven en volgens mij ook niet meer bezig met de vraag of alles wat gezegd werd nog relevant was voor dat lasbedrijf, maar gewoon praten, reageren, lachen en vervolgens via een zijweg weer op een ander onderwerp terechtkomen waarvan geen van beiden vijf minuten eerder had kunnen voorspellen dat we het erover zouden hebben.
Op een bepaald moment pakte L een waterfles en nam een slok, ik keek naar die fles en voordat er ergens in mijn hoofd nog een professionele sollicitatiefilter kon ingrijpen vroeg ik:
“Daar zit toch wel witte wijn in, hè?”
Vanaf dat moment had het gesprek wat mij betreft helemaal geen redding meer nodig.
En toen verscheen de huwelijksambtenaar
Ik weet niet precies op welk moment een sollicitatiegesprek officieel ophoudt een sollicitatiegesprek te zijn, waarschijnlijk bestaat daar binnen recruitment ergens een procedure voor, maar als je inmiddels over Peru, boeken, wandelen, hiken en de mogelijke aanwezigheid van witte wijn in een waterfles hebt gesproken, terwijl de vacature waarvoor je oorspronkelijk bij elkaar bent gekomen al geruime tijd niet meer aan bod is geweest, dan vermoed ik dat je die grens ergens ongemerkt bent gepasseerd.
Er kwam zelfs een huwelijksambtenaar voorbij, wat op zichzelf al een behoorlijke prestatie is tijdens een gesprek over een baan als accountmanager, maar het werd nog mooier toen bleek dat die ambtenaar uiteindelijk had opgehangen omdat het allemaal te lang duurde, waarmee hij eigenlijk de enige persoon in het hele verhaal was die nog enig gevoel voor planning leek te hebben.
L speelde gewoon mee, ik speelde verder, zij gooide iets terug, ik maakte het weer iets erger en voor we het wisten zaten we in een gesprek waarvan ik achteraf onmogelijk meer precies zou kunnen reconstrueren hoe we van een vacature in de lastechniek bij een huwelijksambtenaar waren beland.
Misschien is dat ook wel mijn soort humor, hoewel ik zelf altijd beweer dat ik helemaal geen humor heb, want ik kan geen moppen vertellen en als iemand tegen mij zegt dat ik nu onmiddellijk iets grappigs moet zeggen gebeurt er waarschijnlijk helemaal niets, terwijl ik, wanneer je mij op een podium zou zetten met driehonderd mensen ervoor en een microfoon in mijn hand met de mededeling dat ik ze een uur moet vermaken, vermoedelijk binnen twee minuten aan het onderzoeken ben of de nooduitgang daadwerkelijk volgens de brandweervoorschriften naar buiten opent.
Maar zet één iemand tegenover me die een beetje snel reageert, die begrijpt wanneer iets niet serieus bedoeld is en die zelf ook bereid is de bal terug te gooien, en dan gebeurt er kennelijk iets anders, want dan ontstaat de humor niet doordat ik van tevoren heb bedacht wat grappig moet zijn, maar gewoon doordat een normaal gesprek steeds verder uit de bocht vliegt en niemand veel behoefte voelt om het stuur weer recht te zetten.
Misschien is dat dus het verschil: ik heb geen humor die zelfstandig kan functioneren, mijn humor heeft iemand anders nodig.
Dat maakt een carrière in het theater overigens meteen behoorlijk ingewikkeld, want dan moet ik bij iedere voorstelling eerst iemand vinden met wie ik een klik heb, die vervolgens op het juiste moment iets over een waterfles zegt en daarna ook nog bereid is mee te gaan wanneer er plotseling een huwelijksambtenaar in het verhaal verschijnt, en ik vermoed dat Carré daar bij het boeken van een voorstelling toch iets meer zekerheid over wil hebben.
Hoeveel tijd had je hier eigenlijk voor ingepland?
Aan het einde van het gesprek, dat inmiddels aanzienlijk minder met het lasbedrijf te maken had dan aan het begin, vroeg L of ik nog vragen had en dat had ik inderdaad, alleen was het niet de vraag over de leaseauto, de klantenportefeuille of het percentage new business die je op dat moment misschien zou verwachten.
“Hoeveel tijd had je eigenlijk ingepland voor dit gesprek?”
Het leek mij inmiddels een relevante vraag, want we zaten er al behoorlijk lang en volgens mij waren we zeker twintig minuten eerder opgehouden met serieus over de functie te praten, maar niemand had blijkbaar behoefte gehad om het gesprek af te kappen, wat ik eigenlijk veel interessanter vond dan wanneer iemand na precies drie kwartier zegt dat de tijd erop zit en dat ik binnen vijf werkdagen iets zal horen.
Ik wilde daarom nog één ding weten, niet over de leaseauto, niet over de klantenportefeuille, niet over hoeveel procent bestaande klanten was en hoeveel procent nieuwe business en zelfs niet meer over die vijfduizend euro, want dat laatste hadden we tenminste al geregeld.
“Hoe vond je het gesprek?”
Daar hoefden we eigenlijk niet eens zo lang bij stil te staan, want inmiddels was wel duidelijk dat het gesprek allang een andere kant op was gegaan dan een normale intake, en juist toen realiseerde ik me dat ik dat uur misschien veel harder nodig had gehad dan ik vooraf dacht, alleen helemaal niet vanwege dat lasbedrijf.
De afgelopen tijd was er genoeg geweest om over na te denken, genoeg om achteraan te bellen, genoeg om op te wachten en vooral genoeg waarbij ik afhankelijk was van mensen die nog moesten antwoorden, iets moesten beoordelen of uiteindelijk ergens een beslissing over moesten nemen, en dan kan een mens kennelijk behoorlijk veel energie halen uit iets heel eenvoudigs: een uur met iemand praten waarbij helemaal niets ingewikkeld hoeft te zijn.
Geen gevecht, geen probleem dat opgelost moest worden, geen antwoord waarop ik al weken zat te wachten en geen formulier.
Gewoon een leuk gesprek.
Misschien moet ik gewoon wat vaker mezelf zijn
Misschien was het juist omdat ik vooraf al niet het gevoel had dat mijn hele toekomst van deze vacature afhing dat ik ook niet bezig was mezelf voortdurend te controleren, want zodra je heel graag een baan wilt hebben ga je tijdens zo'n gesprek bijna automatisch proberen de beste versie van jezelf te presenteren, terwijl die beste versie vaak helemaal niet de leukste versie is, omdat je dan zit na te denken over formuleringen, voorbeelden en competenties terwijl je eigenlijk gewoon met iemand zou moeten praten.
Deze middag deed ik dat laatste.
Ik was gewoon mezelf. En kennelijk werkte dat.
Niet noodzakelijk om de baan te krijgen, want ik ga nog steeds niet bij dat lasbedrijf werken, althans dat verwacht ik niet, maar wel om na dat uur achter mijn computer vandaan te komen met meer energie dan ik ervoor had.
Daarna vond ik dat ik L nog even moest bedanken en een keurige zakelijke mail leek me na alles wat er in dat uur gebeurd was volkomen misplaatst, want ik kon moeilijk schrijven dat ik haar hartelijk dankte voor het informatieve gesprek en dat de nadere toelichting op de functie mijn enthousiasme verder had versterkt, terwijl we twintig minuten lang over alles behalve de functie hadden gesproken en ergens onderweg zelfs een huwelijksambtenaar waren kwijtgeraakt.
Dus zette ik boven de mail:
De huwelijksambtenaar heeft het opgegeven… 😉
Dat leek me een stuk eerlijker.
Ik bedankte haar voor het gesprek, maakte nog één keer de grap over die ambtenaar die het blijkbaar te lang vond duren en stuurde de mail weg, waarna ik voor het eerst in lange tijd niet meteen begon na te denken over mijn kansen, een eventueel tweede gesprek, wat ik beter had kunnen zeggen of wanneer ik iets zou horen.
Ik dacht alleen maar:
Wat een leuk uur.
Misschien is dat uiteindelijk ook iets wat ik uit al dat solliciteren moet leren, namelijk dat ik niet beter word van proberen te zijn wie iemand aan de andere kant van een beeldscherm graag wil zien, maar juist van het tegenovergestelde, van minder nadenken, minder mijn best doen om het perfecte antwoord te formuleren en meer vertrouwen op het feit dat ik na al die jaren heus wel een gesprek kan voeren zonder daarvoor eerst drie websites met sollicitatietips te lezen.
Of het me een baan oplevert weet ik niet en rijk zal ik er zeker niet van worden, maar ik had na lange tijd weer eens een uur waarin ik vooral veel gelachen had en ergens onderweg ontdekte ik bovendien dat ik misschien tóch humor heb, zolang niemand mij vraagt om grappig te zijn.
Voor iemand die altijd beweert geen humor te hebben, is dat al een behoorlijke ontdekking.
En terwijl ik daar later nog eens over nadacht, kwam er vanzelf nog een andere gedachte bij.
Misschien moet ik het theater in.
Er is alleen één probleem.
Ik durf niet voor grote groepen te spreken.
Maar goed.
Dat lossen we in hoofdstuk twee wel op.