Wanneer mensen mij vragen waarom ik zo graag hike, moet ik daar altijd even over nadenken. Een eenvoudig antwoord heb ik namelijk niet. Hoe leg je iemand uit dat je het heerlijk vindt om dagenlang met een rugzak op je rug door de Andes te lopen, zonder precies te weten wat je onderweg tegenkomt, terwijl een route die thuis op de kaart nog zo logisch leek een paar uur later zomaar kan ophouden te bestaan en een eenvoudige pan pasta aan het einde van de dag smaakt alsof je in het beste restaurant van Peru zit? Misschien kun je dat ook helemaal niet uitleggen. Misschien moet je het gewoon een keer zelf ervaren.
📍 Locatie: Arequipa | Zuid-Peru
📖 Leestijd: 8 minuten
🏷️ Categorie: Hiken | Persoonlijk | Andes
Een avontuur begint thuis aan tafel
Wie denkt dat een hike begint zodra je de rugzak omdoet, heeft wat mij betreft nog nooit écht gehiket. Voor mij begon iedere tocht uren eerder, meestal gewoon thuis aan tafel met een topografische kaart voor me. Ik kon daar eindeloos naar kijken, bergkammen volgen, oude spoorlijnen ontdekken en mezelf steeds dezelfde vraag stellen: zou dit kunnen? Op papier leek vaak veel mogelijk, maar een kaart vertelt nooit het hele verhaal. De enige manier om daar achter te komen was mijn rugzak pakken en gaan lopen.
Juist dat onbekende maakte iedere tocht bijzonder. Soms bleek een route precies zo te zijn als ik had verwacht, soms liep ik na uren wandelen tegen een onbegaanbare bergkam aan en zat er niets anders op dan dezelfde weg weer terug te lopen. Dat voelde nooit als een mislukking. Ook dat hoorde er gewoon bij.
Eerst zelf ontdekken, daarna pas anderen meenemen
Toen mijn Bed & Breakfast in Arequipa zich steeds meer ging richten op wandelaars, veranderde ook mijn manier van voorbereiden. Ik wilde nooit een route aanbevelen die ik zelf niet volledig kende. Iedere nieuwe tocht liep ik daarom eerst alleen, zodat ik precies wist waar moeilijke passages lagen, waar onderweg water te vinden was, waar veilig gekampeerd kon worden en hoeveel tijd een route werkelijk kostte.
Veiligheid stond voor mij altijd op de eerste plaats. Niet alleen voor mezelf, maar vooral voor de mensen die met mij meegingen. Ik wilde vooraf precies weten wat een tocht van iemand zou vragen. Hoe zwaar was de klim werkelijk? Waar kon je veilig pauzeren? Was er onderweg water? Waar kon je een tent opzetten wanneer het weer omsloeg? Dat ontdekte je niet op een kaart, maar alleen door de route zelf te lopen. Pas wanneer ik zeker wist dat alles klopte, nam ik andere wandelaars mee de bergen in.
Improviseren hoorde erbij
Goede hikinguitrusting was in Arequipa nauwelijks verkrijgbaar. Natuurlijk kon je er een rugzak of een tent kopen, maar zodra je serieus meerdere dagen de bergen in wilde, werd het aanbod snel beperkt. Daarom bestelde ik vrijwel alles online. Tenten, wandelstokken, branders en kookspullen kwamen uiteindelijk uit China. Niet de beste kwaliteit, maar voldoende om met zes personen meerdere dagen zelfstandig de Andes in te trekken. Gelukkig hoefde ik dat materiaal niet allemaal zelf te dragen. Iedereen droeg een deel van de gezamenlijke uitrusting, waardoor het gewicht eerlijk werd verdeeld en we volledig zelfstandig op pad konden.
Sinds ik weer in Nederland woon, is mijn eigen uitrusting compleet veranderd. Mede door de boeken van Tim Voors ben ik me steeds meer gaan verdiepen in ultralight hiken. Mijn basisuitrusting weegt inmiddels nog maar ongeveer 6,4 kilo, exclusief eten en water. Dat is een wereld van verschil met de rugzakken waarmee ik vroeger door Peru liep. Een lichte rugzak maakt het lopen comfortabeler, maar uiteindelijk blijven ervaring, voorbereiding en gezond verstand veel belangrijker dan de duurste uitrusting.
Water is belangrijker dan eten
Wie in Europa wandelt, denkt zelden na over water. In Peru ligt dat heel anders. Sommige routes voeren urenlang door een landschap waar geen betrouwbare waterbron te vinden is. Water bepaalde daarom vaak mijn planning. Ik had altijd een waterfilter bij me, zodat ik water uit beekjes of kleine stroompjes veilig kon drinken zodra ik eindelijk een geschikte plek vond. Dat gaf niet alleen vrijheid, maar ook de mogelijkheid om met minder gewicht te lopen en meerdere dagen volledig zelfstandig onderweg te zijn.
Ook wildkamperen ligt in Peru iets anders dan veel mensen denken. Officieel mag het lang niet overal, maar wanneer je op vier- of vijfduizend meter hoogte loopt en urenlang niemand tegenkomt, voelt de wereld ineens heel groot. Toch stond respect voor de natuur voor mij altijd voorop. Alles wat ik meenam, ging ook weer mee terug. De bergen waren te mooi om er iets anders achter te laten dan mijn voetstappen.
De mooiste routes stonden nergens beschreven
Veel mensen verwachten dat de Misti of de Chachani mijn mooiste wandelingen waren. Natuurlijk zijn dat indrukwekkende vulkanen, maar de tochten die mij het langst zijn bijgebleven stonden meestal in geen enkele reisgids. Ze ontstonden doordat ik uren naar een kaart keek, een tip kreeg van een lokale gids die later een goede vriend werd of simpelweg nieuwsgierig genoeg was om een oude spoorlijn te volgen waarvan niemand precies wist waar die uiteindelijk uitkwam.
Juist dat maakte Peru voor mij zo bijzonder. Achter iedere berg lag weer iets nieuws te wachten en iedere wandeling voelde alsof ik iets ontdekte wat nog niet door honderden andere wandelaars was vastgelegd. Dat waren de dagen waarop ik me realiseerde dat de mooiste herinneringen zelden op de bekende toeristische routes ontstaan.
Tim Voors
In diezelfde periode ontdekte ik de boeken van Tim Voors. Zijn wandelingen zijn nauwelijks met de mijne te vergelijken. Waar hij duizenden kilometers over bekende langeafstandsroutes loopt, duurden mijn tochten meestal vier tot zes dagen en speelden ze zich af in de bergen rond Arequipa. Toch herkende ik veel in zijn manier van denken. Niet de afstand sprak me aan, maar de eenvoud van het leven onderweg. Alles wat je nodig hebt, draag je op je rug en de rest laat je vanzelf los.
Mijn tochten waren misschien korter, maar vaak ook onvoorspelbaarder. Meestal liep ik niet over gemarkeerde paden en wist ik vooraf nooit helemaal zeker of de lijn die ik thuis op de kaart had getrokken in de praktijk ook echt begaanbaar was. Soms bleek een bergkam onbegaanbaar, soms was een rivier niet veilig over te steken en zat er niets anders op dan om te keren. Dat hoorde erbij. Niet iedere wandeling eindigde zoals ik hem had bedacht, maar juist daarin zat voor mij de charme.
Tim heeft mij niet geleerd hoe ik moest hiken, maar zijn boeken hebben me wel laten zien dat je niet altijd alles hoeft te plannen. Soms is een idee, een kaart en een gezonde dosis nieuwsgierigheid al genoeg om op pad te gaan. Dat gevoel nam ik iedere keer weer mee de Andes in.
De vergeten tonijn
Na een lange wandeldag keek iedereen uit naar een warme maaltijd. Meestal stond er pasta met tonijn op het menu, eenvoudig, voedzaam en precies waar je na uren lopen zin in hebt. Tijdens één van mijn tochten liep ik met vier wandelaars uit Noord-Amerika en was ik ervan overtuigd dat ik alles perfect had voorbereid.
Tot ik de boodschappentas opende.
De tonijn lag nog gewoon in Arequipa.
Dat zijn van die momenten waarop je jezelf even heel hard uitlacht. Je staat midden in de Andes, de dichtstbijzijnde winkel ligt tientallen kilometers verderop en vier paar ogen kijken je afwachtend aan.
Veel keuze had ik niet. Ik haalde het beleg tussen mijn boterhammen vandaan, gooide alles door de pasta, strooide er een flinke hoeveelheid kruiden overheen en besloot dat dit vanaf dat moment gewoon het avondmenu was. Een Michelinster zou ik er waarschijnlijk nooit mee winnen, maar eerlijk gezegd had dit gerecht zonder problemen op de kaart van een kleine lokale bistro mogen staan.
Het mooiste was misschien nog wel dat niemand klaagde. Na een dag lopen op grote hoogte smaakt bijna alles goed en achteraf werd juist dit één van de verhalen waar we het hardst om konden lachen.
Hiken is iets anders dan wandelen
Mensen vragen me nog weleens wat nu eigenlijk het verschil is tussen wandelen en hiken. Ik probeer dat uit te leggen, maar meestal lukt het niet. Wandelen is voor veel mensen een middag buiten zijn. Hiken voelt anders. Alles wat je nodig hebt, draag je op je rug. Er is geen restaurant om de hoek, geen hotel wanneer je moe bent en vaak ook geen mobiel bereik. Je leeft op het ritme van de bergen en past je vanzelf aan aan wat de natuur je die dag voorschotelt.
Juist die eenvoud gaf mij een gevoel van vrijheid dat ik moeilijk onder woorden kan brengen. Een kaart openslaan, een route bedenken waarvan niemand zeker wist of die bestond en onderweg ontdekken of een idee werkelijkheid kon worden, gaf iedere wandeling iets bijzonders. Soms liep ik uren zonder iemand tegen te komen, soms moest ik omkeren en soms vond ik een plek waarvan ik dacht: waarom kent bijna niemand deze route?
Dat gevoel mis ik nog regelmatig.
Niet alleen de vulkanen.
Niet alleen Peru.
Vooral de vrijheid om iedere ochtend opnieuw op pad te gaan zonder precies te weten wat de dag zou brengen. Misschien is dat wel de echte reden waarom ik nog zo vaak aan Peru terugdenk. Niet alleen vanwege de bergen, maar vooral vanwege het gevoel dat je nooit wist wat er achter de volgende berg op je lag te wachten.