Mijn eerste serieuze idee voor een boek had helemaal niets met Peru te maken. Het ging over koken, recepten uit verschillende delen van de wereld en vooral over de gedachte dat er in bijna ieder land wel een oma rondloopt die één gerecht zo goed kan maken dat de rest van de familie er eigenlijk vanaf moet blijven.
Het moet ergens rond 2002 zijn geweest. Ik was er behoorlijk fanatiek mee bezig en het idee was simpel: stuur mij het recept van dat ene gerecht dat jouw oma fantastisch kan maken, geschreven op een ansichtkaart uit het land waar het vandaan komt.
Die kaart moest vervolgens gewoon per post naar Nederland komen.
Ik zou het gerecht zelf maken en kijken hoe dicht ik bij het oorspronkelijke recept kon komen. Dat was soms nog best lastig, want ingrediënten die tegenwoordig zonder veel moeite verkrijgbaar zijn, lagen destijds lang niet allemaal bij de supermarkt om de hoek. Dan moest ik improviseren, een alternatief zoeken of er een beetje mijn eigen draai aan geven.
Uiteindelijk moest het een kookboek worden waarin de recepten, de ansichtkaarten, de landen en de verhalen achter de gerechten bij elkaar kwamen. Achteraf zat daar eigenlijk al iets in wat ik nu nog steeds leuk vind aan boeken maken: schrijven is maar een deel ervan. Ik wil ook iets met foto's, vormgeving en verhalen doen en uiteindelijk iets maken dat je echt in je handen kunt houden.
📍 Locatie: Nederland | Peru
📖 Leestijd: circa 12 minuten
🏷️ Categorie: Peru | Boeken | Schrijven | Thriller | Persoonlijke verhalen
En de kaarten kwamen echt
Het leuke was dat mensen daadwerkelijk meededen. Er verschenen steeds meer ansichtkaarten in de brievenbus, afkomstig uit verschillende landen en voorzien van recepten die soms al generaties binnen een familie werden gemaakt.
Geen gelikte recepten van professionele koks, maar gewoon eten dat bij mensen thuis op tafel kwam en waarvan iemand vond dat zijn of haar oma het beter maakte dan wie dan ook.
Ik ging ermee aan de slag, probeerde recepten uit, zocht ingrediënten en bedacht alternatieven wanneer iets hier niet verkrijgbaar was. Ondertussen groeide de stapel kaarten en begon het idee steeds serieuzer te worden.
Uiteindelijk had ik ongeveer 85 ansichtkaarten.
Vijfentachtig recepten uit verschillende delen van de wereld, allemaal ouderwets per post naar Nederland gestuurd.
En blijkbaar was ik niet de enige die vond dat daar misschien een boek in zat.
Ineens wilde een uitgever met me praten
Het idee kwam uiteindelijk terecht bij een uitgever in Utrecht. Die wilde er meer over horen en nodigde mij uit voor een gesprek.
Dat was natuurlijk nogal wat. Je kunt zelf honderd keer zeggen dat je met een boek bezig bent, maar zodra een echte uitgever zegt dat je maar eens langs moet komen, begint het ineens behoorlijk serieus te voelen.
Datum afgesproken, tijd afgesproken en ik zou met mijn idee naar Utrecht gaan. Ik had inmiddels een flinke verzameling kaarten, had gerechten gemaakt en wist ongeveer hoe ik het boek voor me zag.
Alleen kwam dat gesprek er nooit.
De afspraak werd afgezegd. De uitgever had inmiddels zoveel kookboeken dat er geen behoefte meer was aan nog eentje.
Daar zat ik dan.
Ongeveer 85 ansichtkaarten verder en geen boek.
Daar kan ik inmiddels gelukkig wel om lachen.
Het kookboek verdween, het idee bleef
Van het kookboek kwam uiteindelijk niets meer terecht. De kaarten verdwenen naar de achtergrond, het leven ging verder en jarenlang deed ik er helemaal niets meer mee.
Toch bleef het idee om ooit zelf een boek te maken ergens hangen.
Dat woord, maken, past eigenlijk beter bij mij dan alleen schrijven. Ik vind het leuk om me overal mee te bemoeien: tekst, foto's, indeling, lettertype, omslag, achterkant en uiteindelijk zelfs de paar millimeter die ergens wel of niet tussen moeten zitten.
Daar kwam ik overigens pas veel later achter.
Het leven bracht mij uiteindelijk duizenden kilometers verderop naar Peru en juist daar ontstond, zonder dat ik daar vooraf een plan voor had, het materiaal voor het boek dat er uiteindelijk wél zou komen.
Het eerste boek was er eigenlijk al
Toen Verder dan de Vulkanen in beeld kwam, lag het verhaal er al. Het manuscript bestond en de volgende vraag was vooral hoe ik van een Word-document in vredesnaam een echt boek moest maken.
Dat bleek nog een vak apart.
Papier, formaat, marges, lettertypes, foto's, resolutie, ISBN, omslag, rugdikte en drukbestanden; als lezer denk je daar waarschijnlijk nooit over na. Zodra je zelf degene bent die het boek probeert te maken, kun je je ineens een halve avond druk maken over een paar millimeter.
En ik vond het geweldig.
Natuurlijk waren er ook momenten waarop iets voor de zoveelste keer niet stond zoals ik het wilde, een omslag technisch niet bleek te kloppen of iets wat op mijn beeldscherm prima leek op papier toch tegenviel. Maar langzaam veranderde dat bestand in het boek dat ik in mijn hoofd had.
Totdat er uiteindelijk een fysiek exemplaar van Verder dan de Vulkanen voor me lag.
Ruim twintig jaar na die eerste ansichtkaarten was er dus alsnog een boek.
Van gutter tot hoerenkind
Tijdens het maken van dat eerste boek ontdekte ik ook een compleet nieuwe taal.
Als je daarvoor tegen mij over een gutter was begonnen, had ik waarschijnlijk gedacht dat er iets met een dakgoot aan de hand was. Inmiddels weet ik beter.
Ik kende natuurlijk woorden als titelpagina, inhoudsopgave en colofon, maar daarna kwamen de binnenmarge, zetspiegel, recto en verso, bleed, interlinie, korpsgrootte en uitvullen voorbij. Ik ontdekte zelfs dat je in een boek last kunt hebben van weeskinderen, hoerenkinderen en riviertjes, terwijl er in mijn hele verhaal niemand voorkwam die ook maar iets met een van die drie te maken had.
Het gekke is dat je die woorden na een tijdje zelf gaat gebruiken. Dan zit je serieus naar een pagina te kijken omdat de gutter volgens jou niet goed is of omdat er na het uitvullen lelijke riviertjes door de tekst lopen.
Een paar maanden eerder had ik werkelijk geen idee waar iemand het over had.
Ik heb lang niet alle termen nodig en zal er ongetwijfeld ook genoeg weer vergeten. Ik ben geen typograaf of boekbinder geworden. Ik wilde gewoon mijn eigen boek maken en kwam die hele wereld vanzelf tegen.
Het tweede boek lag al jaren voor mijn neus
Na Verder dan de Vulkanen kwam de vraag wat ik nog meer kon doen met al het materiaal dat ik in Peru had verzameld. In de jaren dat ik daar woonde had ik tientallen blogs geschreven over reizen, plaatsen, eten, wandelen, gewoontes, praktische zaken en vooral over dingen die je pas ontdekt wanneer je ergens langere tijd woont.
Daaruit ontstond Voorbij de Vulkanen, mijn eigenwijze reisgids voor Zuid-Peru.
Ook qua vorm wilde ik dat boek heel anders maken. Het werd bewust magazine-achtig, met veel fotografie, verschillende soorten pagina's, afwisseling tussen tekst en beeld en ruimte om af en toe gewoon te kijken en te bladeren.
Het moest geen boek worden dat voorschrijft wat iemand allemaal móét zien. Ik wilde mijn ervaringen, plekken en praktische kennis delen en de lezer vervolgens zelf laten kiezen.
Zuid-Peru. Op jouw manier.
Daarmee had ik ineens twee boeken over hetzelfde land die er totaal verschillend uitzagen en ook op een heel andere manier waren ontstaan.
Mijn zwarte boekje gaat mee wandelen
Ik wandel veel en graag. Vooral tijdens langeafstandswandelingen gebeurt er iets wat achter een bureau veel moeilijker lukt: mijn hoofd krijgt alle ruimte om ergens naartoe te gaan zonder dat ik voortdurend word afgeleid.
Ik loop daarbij ook niet als een bezetene van beginpunt naar eindpunt. Juist onderweg neem ik graag de tijd om ergens stil te zitten. Een bankje, een steen of gewoon een plek met uitzicht is genoeg.
Dan pak ik mijn zwarte boekje.
Daar schrijf ik ideeën in. Soms zijn het drie woorden, soms een zin, soms een halve pagina en regelmatig iets waarvan ik op dat moment zelf nog geen idee heb wat ik ermee ga doen.
Lange tijd gingen die ideeën vooral richting non-fictie. Dat kende ik inmiddels. Als ik iets bedacht over Peru, een plaats, geschiedenis of een onderwerp waar ik meer over wilde weten, kon ik thuis Google erbij pakken, informatie zoeken, feiten controleren en vanaf daar verder werken.
Op een gegeven moment verschenen er andere dingen in dat boekje.
Een vreemde situatie, een personage, een gebeurtenis die nooit had plaatsgevonden of gewoon een vraag die in mijn hoofd bleef hangen.
Google kon daar weinig mee.
Het antwoord bestond namelijk nog niet.
Dat mocht ik zelf bedenken.
Van plot tot red herring
Toen ik serieus aan fictie begon, begon hetzelfde circus eigenlijk opnieuw. Ditmaal ging het niet over millimeters, marges en boekblokken, maar over het verhaal zelf.
Natuurlijk kende ik woorden als plot, climax en cliffhanger. Alleen is weten wat een plot is iets anders dan proberen er eentje honderden pagina's overeind te houden.
Ineens kreeg pacing betekenis. Hoe lang blijf je in een scène? Wanneer moet het sneller? Wanneer mag de lezer even bijkomen? Waar geef je informatie weg en waar juist nog even niet?
Daar kwamen suspense, foreshadowing, subplots en de red herring bij. Die laatste vind ik eigenlijk wel mooi: de lezer bewust een bepaalde kant op sturen, terwijl ergens anders iets gebeurt wat later veel belangrijker blijkt te zijn. Dat moet dan natuurlijk wel een beetje subtiel gebeuren. Als de schrijver met een enorm bord staat te zwaaien waarop staat LET OP, HIER PROBEER IK JE TE MISLEIDEN, werkt het waarschijnlijk niet meer.
Ook ontdekte ik dat dingen die ik soms al op gevoel gebruikte gewoon een officiële naam hebben. Een anafoor, een terugkerend motief, een flashback of een interne monoloog bijvoorbeeld. En show, don't tell klinkt prachtig totdat je zelf een scène schrijft en ontdekt hoe verleidelijk het is om gewoon even uit te leggen wat iemand denkt of voelt.
Ik zit tijdens het schrijven echt niet met een woordenlijst naast mijn toetsenbord. Veel ontstaat nog steeds gewoon op gevoel. Alleen begrijp ik nu beter waarom een scène soms lekker loopt en waarom een andere na drie keer herschrijven nog steeds niet wil.
En dat vind ik misschien wel het leukste van alles zelf doen: ik ben het ondertussen gewoon aan het leren.
En ergens zat 007 er natuurlijk ook tussen
Ik ben altijd liefhebber geweest van James Bond. Ik las de 007-boeken en keek natuurlijk ook naar de films. Spanning, reizen, mysterieuze figuren, gevaar en locaties die bijna een eigen personage worden; dat soort verhalen hebben me altijd aangesproken.
Toen ik zelf fictie begon te schrijven, merkte ik dat ik het leuk vond om met zulke ingrediënten te spelen en er vervolgens mijn eigen verhaal van te maken.
En toen kwam Peru vanzelf weer om de hoek kijken.
Ik ken de overgang van de kust naar de Andes, de enorme afstanden, de hoogte, de chaos van de steden en de stilte die je een paar uur later in de bergen kunt tegenkomen. Ik weet hoe snel het landschap verandert en hoe gemakkelijk je ergens terecht kunt komen waar de rest van de wereld ineens heel ver weg lijkt.
Voor mijn derde boek werd Peru daarom geen onderwerp.
Het werd het toneel.
De laatste keuze in Peru
Zo ben ik begonnen aan De laatste keuze in Peru, een technologische thriller waarin een ogenschijnlijk eenvoudige zakelijke opdracht behoorlijk uit de hand begint te lopen wanneer een mysterieuze drager zich koppelt aan de identiteit van de hoofdpersoon.
Onder de Andes bevindt zich Eidolon, een systeem dat informatie verwerkt, mensen herkent en verbanden legt. Vanaf daar begon voor mij vooral de interessante vraag hoeveel van wat ik verzin eigenlijk nog écht onmogelijk is.
We geven nu al voortdurend stukjes van onszelf aan digitale systemen: onze locatie, ons gezicht, onze stem, voorkeuren, contacten en gedrag. Systemen worden ondertussen steeds beter in het herkennen van patronen in enorme hoeveelheden informatie.
Wat gebeurt er als zo'n systeem uiteindelijk niet alleen ziet wat iemand doet, maar ook steeds beter kan voorspellen welke keuze iemand daarna gaat maken?
En hoeveel vrijheid heb je dan eigenlijk nog?
Daar ergens begint de wereld van Eidolon.
Maar het moet vooral spannend zijn
Uiteindelijk schrijf ik een thriller en geen handleiding over technologie. Er moet worden gereisd, gezocht en gevlucht. Mensen vertellen niet altijd wat ze werkelijk weten en sommige keuzes blijken pas veel later gevolgen te hebben.
Daar komen Valeria en Salazar bij kijken. Twee mensen die om totaal verschillende redenen betrokken zijn bij dezelfde technologie. Valeria heeft eraan meegebouwd, Salazar wil haar vernietigen en daartussen bevindt zich iemand die aanvankelijk vooral probeert te begrijpen waarom juist hij in dit verhaal terecht is gekomen.
Tot Eidolon hem herkent.
Waarom dat gebeurt, ga ik hier natuurlijk niet vertellen. Ik ben het boek nog aan het maken en er moet straks ook nog iets overblijven om te lezen.
Drie boeken, drie keer opnieuw beginnen
Als ik de drie boeken naast elkaar zet, vind ik vooral grappig hoe verschillend ze zijn ontstaan.
Verder dan de Vulkanen kwam voort uit mijn eigen leven en was eigenlijk al geschreven voordat ik serieus ging uitzoeken hoe ik er een boek van kon maken. Voorbij de Vulkanen groeide uit jaren aan blogs, foto's, reizen en praktische ervaringen in Zuid-Peru en kreeg bewust die magazine-achtige vorm.
De laatste keuze in Peru begint weer ergens anders: in mijn zwarte boekje, tijdens het wandelen, met losse ideeën waarvan ik soms zelf nog niet weet waar ze eindigen.
Ondertussen leer ik bij ieder boek weer iets nieuws. Eerst hoe je überhaupt van een manuscript een gedrukt boek maakt, daarna hoeveel verschil vormgeving kan maken en nu hoe je honderden pagina's fictie bij elkaar probeert te houden zonder onderweg je eigen plot kwijt te raken.
De rode draad is nog steeds Peru.
Blijkbaar ben ik daar voorlopig nog niet over uitgeschreven.
En die 85 ansichtkaarten?
Dat kookboek is er nooit gekomen.
Achteraf vind ik het vooral grappig dat mijn eerste poging om een boek te maken al voorbij was voordat ik tegenover die uitgever in Utrecht had gezeten.
Daarna kwamen er ruim twintig jaar, een verhuizing naar de andere kant van de wereld, jaren in Peru en een heleboel leven tussendoor.
En uiteindelijk ben ik het gewoon gaan doen.
Eerst één boek, daarna een tweede en nu ben ik bezig met nummer drie.
Het leukste vind ik nog steeds het hele proces. Iets begint soms met drie haastig geschreven woorden in mijn zwarte boekje en groeit langzaam uit tot scènes, hoofdstukken, personages, foto's, een titel, een omslag en uiteindelijk een boek.
Dus misschien begon dit allemaal toch met die 85 ansichtkaarten.
Ze hebben alleen nooit tot een kookboek geleid.
De laatste keuze in Peru
Na het persoonlijke reisverhaal Verder dan de Vulkanen en de magazine-achtig vormgegeven, eigenwijze reisgids Voorbij de Vulkanen werk ik nu aan mijn derde boek: De laatste keuze in Peru.
Een technologische thriller waarin een zakelijke opdracht de hoofdpersoon naar Peru brengt, waar een mysterieuze drager zich aan zijn identiteit koppelt en hem steeds verder een wereld intrekt waarin technologie, identiteit en vrijheid steeds dichter bij elkaar komen te liggen.
Van Lima tot diep in de Andes groeit een opdracht uit tot een strijd rond een systeem dat nooit in verkeerde handen mag vallen.
Eén verkeerde beslissing kan miljoenen hun vrijheid kosten.
De laatste keuze in Peru
Een technologische thriller van Lauwrens IJsveld
In de maak.
>Bekijk mijn boeken over Peru