Iedereen heeft het altijd over de Colca Canyon. Over de condors, de diepte van de canyon en de spectaculaire uitzichten. Allemaal waar, maar als je het mij vraagt begint het mooiste deel van de dag al uren eerder. Sterker nog, als iemand mij zou vragen wat ik het meest mis aan Peru, dan is de kans groot dat ik niet eens de Colca Canyon noem, maar gewoon die weg ernaartoe. Een weg die ik tientallen keren heb gereden en die mij werkelijk nooit heeft verveeld. Dat klinkt misschien overdreven, maar sommige wegen zijn nu eenmaal geen verbinding tussen twee plaatsen; ze zijn zelf de bestemming.
We vertrokken meestal vroeg uit Arequipa, niet omdat ik zo'n ochtendmens ben – integendeel – maar omdat je dan de meeste kans hebt om de ergste drukte voor te zijn. Al moet ik eerlijk zeggen dat "de ergste drukte" in Peru een nogal rekbaar begrip is. Nog voordat je de stad goed en wel achter je hebt gelaten, sluit je aan in een lange stoet vrachtwagens die zich puffend en kreunend een weg omhoog werken. Soms keek ik naar de kilometerteller en vroeg ik me serieus af of ik niet sneller boven zou zijn als ik uitstapte en naast de auto ging wandelen. Vijf kilometer per uur leek voor sommige vrachtwagens al ambitieus.
Daarachter ontstond dan een optocht van auto's, busjes en touringcars die allemaal precies hetzelfde dachten: na de volgende bocht haal ik hem in. Alleen bleek die volgende bocht telkens gevolgd te worden door nog een bocht, en nog één, en nog één, alsof de wegontwerper ooit besloten had dat een recht stuk asfalt zwaar overschat werd. Net wanneer je dacht eindelijk een kans te krijgen, verscheen er een tegenligger. Of een andere vrachtwagen. Of een lama die zonder enige vorm van stress besloot dat dit een uitstekend moment was om de weg over te steken. Lama's hebben namelijk geen rijbewijs, maar wel alle tijd van de wereld.
Na ongeveer een uur bereikten we een plek waar bijna iedereen stopte. Niet omdat het uitzicht daar nu al zo spectaculair was, maar omdat de weg zich daar splitste. Links ging je richting de Colca Canyon, rechts richting Puno en het Titicacameer. Langs de weg lag een lange rij eenvoudige restaurantjes, marktkraampjes en souvenirwinkels waar werkelijk alles werd verkocht wat van alpaca leek te zijn gemaakt. Er reden onafgebroken vrachtwagens af en aan, touringcars parkeerden kriskras langs de kant, politie hield regelmatig voertuigen aan voor een controle en ergens mocht je ook nog drie soles tol betalen. Wat je daar overigens niet vond, was een fatsoenlijk toilet. Dat vond ik iedere keer weer een klein wonder. Je kunt op bijna vijfduizend meter hoogte een warme maaltijd krijgen, maar een wc vinden blijkt soms een stuk ingewikkelder.
Vanaf dat punt veranderde de wereld.
Letterlijk.
De drukte bleef achter je, de lucht werd merkbaar dunner en ineens reed je een landschap binnen waarvan je je bijna niet kunt voorstellen dat het echt bestaat. De begroeiing verdween langzaam, de bergen werden hoger, de vulkanen leken met iedere kilometer dichterbij te komen en de kleuren veranderden voortdurend door het zonlicht. Soms reed ik een kwartier zonder iets te zeggen. Niet omdat ik niets te vertellen had, maar omdat het landschap simpelweg alle aandacht opeiste. Er zijn van die momenten waarop zelfs een gids zijn mond houdt.
En dan die uitzichten...
Ik heb foto's gemaakt. Honderden. Misschien wel duizenden. Maar iedere keer als ik ze terugzie, denk ik hetzelfde: dit was in werkelijkheid nog veel mooier. De camera legt bergen vast, maar niet de stilte. Niet de ijle lucht waardoor je na een paar stappen al voelt dat je op bijna vijf kilometer hoogte bent. Niet dat vreemde gevoel van klein zijn wanneer je tussen vulkanen rijdt die er al stonden lang voordat de eerste mens ooit besloot hier een weg aan te leggen. Ik heb op die route soms gewoon langs de kant gestaan zonder iets te zeggen. Niet omdat ik emotioneel ben aangelegd, maar omdat sommige landschappen iets met je doen. Ze laten je even vergeten hoe druk de wereld eigenlijk is.
Bij de Mirador de los Volcanes stopte ik vrijwel altijd. De meeste chauffeurs deden dat ook. Mensen stapten uit, maakten drie foto's, kochten een muts van alpacawol, gingen weer zitten en reden verder. Ik besloot het iets anders aan te pakken. Waarom? Geen idee. Misschien omdat ik graag kook. Misschien omdat ik vond dat zo'n uitzicht meer verdiende dan vijf minuten stilstaan. Feit is dat ik op een dag de achterklep van mijn auto opende, een gasstel tevoorschijn haalde en begon met het bakken van eieren. Vanaf dat moment werd het een traditie. In al die jaren heb ik daar honderden toeristen zien stoppen, maar ik heb werkelijk nog nooit iemand anders gezien die op bijna vijfduizend meter hoogte een compleet ontbijt stond te bereiden. De blikken van voorbijgangers waren soms nog leuker dan het uitzicht. Die keken eerst naar de vulkanen, vervolgens naar mijn koekenpan en dachten volgens mij allemaal hetzelfde: die Nederlander is niet helemaal goed.
En misschien hadden ze daar nog gelijk in ook.
Op één van die ochtenden was ik daar samen met mijn goede vriend Teun. Terwijl de koffie pruttelde, de eieren stonden te bakken en de broodjes langzaam verdwenen, genoten we van een uitzicht waar geen enkel restaurant tegenop kan. Nadat de koffie op was, bleef er nog één flesje in de koelbox liggen. Pisco. We keken elkaar aan, keken op onze horloges en kwamen allebei tot dezelfde conclusie: officieel was het veel te vroeg. Maar eerlijk is eerlijk, als je op bijna vijfduizend meter hoogte tussen de vulkanen zit, gelden er volgens mij andere regels dan op een terrasje in Breda. Dus schonken we allebei een klein bodempje in een plastic bekertje, proostten op Peru en besloten dat dit waarschijnlijk de mooiste plek was waar we ooit een glas pisco hadden gedronken.
Als ik nu terugdenk aan de Colca Canyon, denk ik verrassend genoeg niet als eerste aan de canyon. Ik denk aan die eindeloze weg vanuit Arequipa, aan de vrachtwagens die je geduld op de proef stelden, aan de politiecontroles, aan de straathonden die overal opdoken, aan de lama's die vonden dat verkeersregels vooral voor mensen bedoeld waren, aan de ijle lucht die je eraan herinnerde dat je bijna vijf kilometer boven zeeniveau stond en vooral aan dat eenvoudige ontbijt vanuit de achterbak van mijn auto, omdat sommige herinneringen niet ontstaan op de bestemming, maar onderweg.